rommelmarkt2013.jpg

Welkom op de website van Oranjevereniging “Juliana” Schipluiden facebook

Volkslied

Het volkslied

Wilhelmus van Nassouwe is sinds 10 mei 1932 het officiële Nederlandse volkslied.
De ministerraad besloot op die datum dat het Wilhelmus bij alle officiële gelegenheden te horen zal zijn. Voor die tijd werd het lied ook al regelmatig gespeeld bij officiële gelegenheden, zoals de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898.
Tot 1932 was Wien Neerlands Bloed het officiële volkslied. Dit lied was speciaal geschreven voor de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815.

 

De melodie

De melodie van het Wilhelmus is vermoedelijk ontstaan tijdens het beleg van de Franse stad Chartres in 1568. De eerste bekende optekening ervan stamt uit 1574.
Adriaen Valerius legde in 1626 de huidige melodie van het Wilhelmus vast in zijn bundel Nederlandtsche Gedenck-clanck.

 

Over de tekst van het Wilhelmus

Het Wilhelmus telt vijftien coupletten, waarvan de eerste letters samen de naam WILLEM VAN NASSOV vormen. Meestal zijn alleen het eerste en het zesde couplet te horen.
Het Wilhelmus is tijdens de Tachtigjarige Oorlog geschreven. Het was een eerbetoon aan prins Willem I van Oranje, de leider van het Nederlandse verzet tegen de Spaanse overheersing.
Philip van Marnix, heer van Sint Aldegonde (ca. 1538-1598) wordt algemeen beschouwd als dichter van de Nederlandse tekst. Hij was de secretaris van prins Willem I.

 
1 9
Wilhelmus van Nassouwe Na tsuer sal ick ontfanghen
Ben ick van Duytschen Bloedt, Van Godt, mijn Heer, dat soet,
Den Vaderland ghetrouwe Daer na so doet verlanghen
Blijf ick tot inden doet; Mijn vorstelick ghemoet,
Een Prince van Orangien Dat is, dat ick mag sterven
Ben ick vry onverveert. Met eeren, in dat velt,
Den Coninck van Hispangien Een eeuwich rijk verwerven
Heb ick altijt gheeert. Als een ghetrouwe helt.
   
2 10
In Godes vrees te leven Niets doet my meer erbarmen
Heb ick altijt betracht, In mijnen wederspoet,
Daerom ben ick verdreven Dan dat men siet verarmen
Om Land, om Luyd ghebracht: Des Conincks landen goet,
Maer Godt sal my regeren Dat ud de Spaengiaerts crencken,
Als een goet Instrument, O edel Neerlandt soet,
Dat ick sal wederkeeren Als ick daeraen ghedencke,
In mijnen Regiment. Mijn edel hert dat bloet.
   
3 11
Lijdt U, mijn Ondersaten, Als een Prins opgheseten
Die oprecht zijn van aert, Met mijnes heyres cracht,
Godt sal u niet verlaten Van den tyran vermeten
Al zijt ghy nu beswaert: Heb ick den slach verwacht,
Die vroom begheert te leven, Die, by Maestricht begraven,
Bidt Godt nacht ende dach. Bevreesde mijn ghewelt;
Dat Hy my cracht wil gheven Mijn ruyters sach men draven
Dat ick u helpen mach. Seer moedich door dat velt.
   
4 12
Lijf ende goed al te samen Soo het den wil des Heeren
Heb ick u niet verschoont, Op die tijt had gheweest,
Mijn Broeders, hooch van Namen, Had ick geern willen keeren
Hebbent u oock vertoont: Van u dit swaer tempeest:
Graef Adolff is ghebleven, Maer de Heer van hier boven
In Vrieslandt in den Slach, Die alle dinck regeert,
Sijn siel int eewich leven Die men altijt moet loven,
Verwacht den jonghsten dach. En heeftet niet begeert.
   
5 13
Edel en Hooch gheboren Seer christlick was ghedreven
Van Keyserlicken stam: Mijn princelick ghemoet,
Een Vorst des Rijcks vercoren, Stantvastich is ghebleven
Als een vroom Christen-man, Mijn hert in teghenspoet,
Voor Godes Woort ghepreesen, Den Heer heb ick ghebeden
Heb ick vrij onversaecht, Van mijnes herten gront,
Als een helt zonder vreesen Dat Hy mijn saeck wil reden,
Mijn edel bloet gewaecht. Mijn onschult doen oircont.
   
6 14
Mijn schilt ende betrouwen Oorlof mijn arme schapen,
Zijt ghy, O Godt, mijn Heer. Die zijt in grooten noot.
Op U soo wil ick bouwen, U Herder sal niet slapen,
Verlaet my nimmermeer; Al zijt ghy nu verstroit:
Dat ick doch vroom mag blijven Tot Godt wilt u begheven,
U dienaer t'aller stond Sijn heylsaem woort neemt aen,
Die tyranny verdrijven, Als vrome Christen leven,
Die my mijn hert doorwondt. Tsal hier haest zijn ghedaen.
   
7 15
Val al die my beswaren, Voor Godt wil ick belijden
End mijn vervolghers zijn, End sijner grooter macht,
Mijn Godt wilt doch bewaren Dat ick tot gheenen tijden
Den trouwen dienaer dijn: Den Coninck heb veracht:
Dat sy my niet verasschen Dan dat ick Godt den Heere,
In haeren boosen moet, Der hoochster Majesteyt,
Haer handen niet en wasschen Heb moeten obedieren,
In mijn onschuldich bloet. In der gherechticheyt.
   
8  
Als David moeste vluchten  
Voor Saul den tyran:  
Soo heb ick moeten suchten  
Met menich edelman:  
Maer Godt heeft hem verheven,  
Verlost uit alder noot,  
Een Coninckrijck ghegheven  
In Israël, seer groot.  
   
 

Oranjevereniging "Juliana" Schipluiden opgericht 23 november 1909

Copyright © 2017. Alle rechten voorbehouden.